Lichten en geluidssignalen
Wanneer je dimlichten, grootlichten, mistlichten en standlichten gebruikt, wat dagrijlichten wel en niet doen, en wanneer je mag claxonneren of je waarschuwingsknipperlichten mag aanzetten.
Waarom dit ertoe doet
Zien en gezien worden. De regels over lichten zijn kort maar precies: ze werken met twee afstanden (200 meter en 100 meter) en één afstand voor de grootlichten (50 meter). Rijden zonder lichten wanneer het moet, is een overtreding van de derde graad. En de claxon is in België veel minder toegelaten dan veel bestuurders denken.
Wanneer de lichten aan moeten
De basisregel staat in artikel 30: "Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer" "het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter," worden de voorgeschreven lichten gebruikt . Dus niet enkel 's nachts, maar ook overdag bij regen, mist, sneeuw, in een tunnel of bij zwaar bewolkt weer zodra je geen 200 meter ver meer duidelijk ziet .
Voor motorvoertuigen zijn dat :
- "Vooraan, de dimlichten of de grootlichten, die gelijktijdig mogen gebruikt worden."
- "Achteraan, de rode lichten."
De dimlichten of grootlichten vooraan en de rode lichten achteraan niet gebruiken wanneer het moet, is een overtreding van de derde graad .
Grootlichten: wanneer doven
"De grootlichten moeten echter gedoofd en door de dimlichten vervangen worden" in vier gevallen :
- "bij het naderen van een tegemoetkomende weggebruiker, op de nodige afstand" zodat die niet verblind wordt;
- bij het naderen van een spoorvoertuig of een boot waarvan de bestuurder verblind zou kunnen worden;
- "wanneer het voertuig een ander voertuig op minder dan 50 meter afstand volgt, behalve wanneer het inhaalt";
- wanneer de rijbaan zo verlicht is dat je ongeveer 100 meter ver duidelijk kunt zien.
Grootlichten niet doven voor een tegenligger of voorligger is een overtreding van de tweede graad .
Mistlichten voor en achter
Vooraan: "De voormistlichten mogen slechts gebruikt worden bij mist, sneeuwval of felle regen." . Ze mogen de dimlichten of grootlichten vervangen of samen met die lichten branden . Voormistlichten zijn niet verplicht .
Achteraan: wanneer het voertuig achtermistlichten heeft, "moeten deze lichten gebruikt worden" "bij mist of sneeuwval die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan 100 m alsook bij felle regen." . In alle andere omstandigheden mag je ze niet gebruiken, omdat ze de achterligger verblinden .
Dagrijlichten
Nieuwe auto's hebben dagrijlichten die vanzelf aangaan en die "vanzelf doven als je de dimlichten of voormistlichten aanzet" . Dagrijlichten branden enkel vooraan. Ze vervangen de dimlichten niet: zodra het valt van de avond of het zicht onder 200 meter zakt, moeten de dimlichten en dus ook de rode achterlichten aan . Rijden met enkel dagrijlichten in het donker is daarom precies de fout van de derde graad hierboven: je rode achterlichten branden niet.
Stilstaan en parkeren in het donker
Voor een stilstaand of geparkeerd voertuig gelden dezelfde omstandigheden (tussen avond en dag, of zicht onder 200 meter): dan moeten motorvoertuigen standlichten vooraan en rode lichten achteraan voeren . Maar dat is "alleen verplicht wanneer de openbare verlichting het voertuig niet van ongeveer 100 meter duidelijk laat zien" . In een verlichte straat mag je auto dus zonder lichten geparkeerd staan. Binnen de bebouwde kom mag je de standlichten vervangen door een parkeerlicht aan de kant van de rijbaan, als je evenwijdig met de as van de rijbaan staat en geen aanhangwagen hebt .
Bromfietsen en motorfietsen
Buiten de omstandigheden van artikel 30, dus ook overdag bij goed zicht, moeten "het dimlicht en het rode achterlicht van de tweewielige bromfietsen en van de motorfietsen" "bestendig gebruikt worden" . Een motorrijder rijdt dus altijd met licht.
Waarschuwingsknipperlichten
De inrichting die alle richtingaanwijzers tegelijk laat knipperen, "mag slechts gebruikt worden in de gevallen voorzien in artikelen 39bis.2 en 51 of om de andere" "weggebruikers te wijzen op een dreigend gevaar voor ongeval." . Artikel 51 gaat over een voertuig met pech dat op de rijbaan blijft staan omdat je het niet op een parkeerplaats kunt zetten , artikel 39bis.2 over gesignaleerd schoolvervoer. Je mag je vier knipperlichten dus niet aanzetten om "even snel" dubbel te parkeren.
Geluidssignalen
"Geluidssignalen moeten zo kort mogelijk zijn." Ze "zijn enkel toegelaten om een noodzakelijke waarschuwing te geven ten einde een ongeval te voorkomen en," "buiten de bebouwde kommen, wanneer men een bestuurder die men wil inhalen moet waarschuwen." . Claxonneren uit ongeduld aan een verkeerslicht of om een vriend te groeten is dus verboden.
's Nachts gaat het anders: "Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, behalve bij dreigend gevaar," "moeten de geluidssignalen vervangen worden door het kortstondig en afwisselend aansteken van de grootlichten en de dimlichten." . Het lichtsignaal vervangt de claxon dus, niet omgekeerd.
Samengevat
- Lichten aan tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en altijd wanneer je geen 200 meter ver duidelijk ziet: dimlichten of grootlichten vooraan, rode lichten achteraan (derde graad als je ze niet gebruikt).
- Grootlichten doven voor een tegenligger, voor een trein of boot, achter een voorligger op minder dan 50 meter (behalve bij inhalen) en op een goed verlichte weg.
- Voormistlichten mogen bij mist, sneeuwval of felle regen, nooit verplicht.
- Mistachterlichten moeten bij mist of sneeuw met minder dan 100 meter zicht en bij felle regen, en mogen anders nooit.
- Dagrijlichten vervangen de dimlichten niet: ze branden enkel vooraan.
- Geparkeerd in het donker: standlichten, tenzij de openbare verlichting je auto van 100 meter zichtbaar maakt.
- Bromfietsen en motorfietsen rijden altijd met dimlicht en achterlicht.
- Waarschuwingsknipperlichten enkel bij pech op de rijbaan, bij een schoolbus of om te wijzen op een dreigend gevaar voor ongeval.
- Claxon: zo kort mogelijk, enkel om een ongeval te voorkomen of buiten de bebouwde kom om een inhaalbeweging aan te kondigen. 's Nachts vervang je de claxon door een lichtsignaal.
Bronnen bij deze les
Klik op een nummertje in de tekst om het fragment uit de bron te zien.
- [1]Vias institute, wegcode.be: Wegcode, artikel 30 en 30bis: Gebruik van de lichten tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dagOpen “het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter”Geraadpleegd op 19 oktober 2026
- [2]Vlaamse Stichting Verkeerskunde (VSV), veiligverkeer.be: Regels autoverlichtingOpen “vanzelf doven als je de dimlichten of voormistlichten aanzet”Geraadpleegd op 19 oktober 2026
- [3]Vias institute, wegcode.be (gecoördineerde tekst): Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graadOpen “De overtredingen op de hierna vermelde bepalingen zijn overtredingen van de derde graad”Geraadpleegd op 19 oktober 2026
- [4]Vias institute, wegcode.be: Wegcode, artikel 31: Gebruik van de lichten door stilstaande en geparkeerde voertuigenOpen “tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag”Geraadpleegd op 19 oktober 2026
- [5]Vias institute, wegcode.be: Wegcode, artikel 32bis: Gelijktijdig gebruik van alle richtingsaanwijzers (waarschuwingsknipperlichten)Open “om de andere weggebruikers te wijzen op een dreigend gevaar voor ongeval”Geraadpleegd op 19 oktober 2026
- [6]Vias institute, wegcode.be: Wegcode, artikel 33: Geluidstoestellen en lichtsignalenOpen “Geluidssignalen moeten zo kort mogelijk zijn.”Geraadpleegd op 19 oktober 2026