Waar hoor je te rijden?
Op weg
De basisbegrippen van de wegcode, je plaats op de rijbaan, wegmarkeringen, richting veranderen, kruisen en inhalen, lichten en geluidssignalen.
0%gereed
- 1De weg in woordenDe begrippen waarmee de Wegcode werkt, zoals rijbaan, rijstrook, fietspad, trottoir, berm, bebouwde kom, kruispunt, bestuurder en voertuigsoorten, en het verschil tussen stilstaan en parkeren. 8 min13 vragen
- 2Je plaats op de rijbaanRechts houden, wanneer je in de bebouwde kom je rijstrook mag kiezen, in files rijden, de busstrook, de pechstrook, eenrichtingsverkeer en ritsen. 8 min13 vragen
- 3Wegmarkeringen lezenWitte en gele strepen, doorlopend of onderbroken, stopstreep en haaientanden, zebrapad en fietsoversteek, pijlen, verdrijvingsvlakken en dambordmarkering. 9 min14 vragen
- 4Richting veranderen en manoeuvresRichtingaanwijzers, voorsorteren, rechts en links afslaan, voorrang bij het afslaan, keren, achteruitrijden en de andere manoeuvres waarbij je voorrang moet verlenen. 9 min13 vragen
- 5Kruisen en inhalenRechts kruisen, links inhalen als regel en rechts inhalen als uitzondering, de voorwaarden om in te halen, de plaatsen waar het verboden is en de borden C35 tot C41. 10 min16 vragen
- 6Lichten en geluidssignalenWanneer je dimlichten, grootlichten, mistlichten en standlichten gebruikt, wat dagrijlichten wel en niet doen, en wanneer je mag claxonneren of je waarschuwingsknipperlichten mag aanzetten. 8 min13 vragen
- 7Verkeerslichten en bevelenDe hiërarchie tussen bevelen, verkeerslichten, verkeersborden en verkeersregels, de armgebaren van de agent, de driekleurige lichten, pijlen, het oranjegele knipperlicht, rijstrooklichten en voetgangerslichten. 10 min15 vragen